Alles wat leeft, speelt vals

Bedrog, misleiding en vals spelen lijken gedrag dat is voorbehouden aan mensen. Maar evolutiebiologen vinden steeds meer bedriegers in de natuur.

In Trouw, 1 november 2014

Bij bedriegers denk je aan mensen die voor hun eigen gewin anderen voor de gek houden. Ze spelen vals bij spelletjes, gaan vreemd met iemand van kantoor of lichten spaarders op om vervolgens met hun geld te vertrekken naar de Cariben. Een goede bedrieger weet hoe hij het maximale haalt uit zijn bedrog, zonder tegen de lamp te lopen. Bedrog vereist dus de nodige intelligentie, zou je zeggen.

Maar evolutiebiologen vinden steeds meer bedriegers in de natuur, ook bij levende wezens die wij niet zo snel intelligentie zouden toedichten. Dieren, planten en zelfs micro-organismen lijken anderen zo voor de gek te kunnen houden dat ze er zelf een slaatje uit slaan. Niet alleen vogels en vissen, maar ook wespen, motten, vuurvliegjes, spinnen, bloemen, schimmels en bacteriën zouden in staat zijn om een ander te bedonderen. En dus omarmden evolutiebiologen het begrip cheating, terwijl dat toch meer lijkt te behoren tot het domein van psychologen.

Een mooi voorbeeld van oplichters in de dierenwereld zijn de zangvogels drongo’s. De donkere vogels met gevorkte staart kunnen eksterbabbelaars en stokstaartjes laten geloven dat er gevaar dreigt. Als ze bijvoorbeeld een groepje stokstaartjes zien, gaan de drongo’s in de buurt zitten en maken ze een geluid alsof een van de stokstaartjes zelf alarm slaat. Die alarmroep is een vorm van samenwerking van de groep, want als één stokstaartje gevaar vermoedt en alarm slaat, gaat de hele groep er als een haas vandoor. Dat gebeurt nu ook, en de drongo heeft vervolgens alle ruimte om het eten van de op de vlucht geslagen stokstaartjes op te eten. Sommige vogels belazeren zo bijna een kwart van hun dagelijkse maaltijd bij elkaar.

Trucje

Eén element is dus bij bedriegen cruciaal en dat is samenwerking. Bedriegers kunnen alleen anderen bedonderen door gebruik te maken van hun neiging om samen te werken. Dat schrijft ook de evolutiebioloog Andrew Bourke in zijn boek ‘Principles of Social Evolution’. Oplichters moeten op de een of andere manier in de gaten hebben hoe de samenwerking doorgaans verloopt en hoe ze die naar hun hand kunnen zetten voor het beste eindresultaat. De bedrieger moet bovendien goed in de gaten houden wat anderen doen, omdat bedrog het beste werkt als de oplichter de enige is. Gaat iedereen opeens hetzelfde misleidende trucje toepassen, dan werkt het spel niet meer en wint er niemand. Dat klinkt alweer behoorlijk psychologisch.

Maar of er van bewustzijn of intelligentie sprake is, is zeer de vraag. Op het niveau van bacteriën toch in ieder geval niet. Want zo ver gaat het bedriegen in de wereld. Op alle niveaus van leven, aldus Bourke, van eencelligen tot dieren, bestaat samenwerking. Volgens hem kunnen we er dan ook wel van uitgaan, dat op al die niveaus levende wezens niet alleen samenwerken, maar elkaar ook besodemieteren.

Er zijn inderdaad niet alleen mensen en vogels maar ook insecten gevonden die het doen. Een bepaalde soort mot heeft het voorrecht om haar larven in de bloem van de yucca te leggen. De larven eten daar een beetje van de zaadjes, maar er blijft genoeg over voor de plant om zich te reproduceren. In ruil voor het fleurige kraambed verspreiden de motten de pollen van de ene plant naar de andere en zorgen zo voor de bevruchting. Dus zowel de yucca als de mot speelt een belangrijke rol bij de voortplanting van de ander. Maar er zijn ook af en toe yuccamotten die wel hun larven in de bloem leggen en ze lekker van de zaden laten eten, zonder dat ze pollen rondbrengen. Zij hebben de voordelen van de samenwerking, maar doen er zelf niks voor terug.

Ook op microscopisch niveau zijn er bedriegers die zich onttrekken aan de samenwerkingsafspraken. Biologen van de Vrije Universiteit Amsterdam ontdekten dat zelfs schimmels het spelletje prima kennen. Onder de grond werken de schimmelbacteriën samen met planten en bomen. Ze krijgen via de wortels suikers doorgesluisd, waar ze van leven, en geven de planten en bomen er voedingsstoffen als stikstof en fosfor voor terug. Sommige schimmels geven minder voedingsstoffen aan de plant dan ze hebben en potten een deel op, om te kijken of ze nog een beter slaatje uit de samenwerking kunnen slaan.

Er zit nog een psychologisch aspect aan bedriegen. In veel gevallen zijn een paar individuen binnen een soort de misleiders, maar niet allemaal. Waarom bedriegt de een wel en de ander niet? Dat is een kwestie van persoonlijkheid, vinden niet alleen psychologen, maar ook biologen.

Dat is bijvoorbeeld te zien bij poetsvissen. Een groep internationale onderzoekers schreef daar vorige maand over in het wetenschappelijke tijdschrift Etiology. De onderzoekers bestudeerden het gedrag van poetsvissen bij het Australische koraalgebied Great Barrier Reef. Poetsvissen eten parasieten van het lijf van andere vissen, een samenwerking waar beide soorten vissen bij gebaat zijn, want de gepoetste vis blijft gezonder als er minder parasieten op hem zitten en de poetsvis heeft eten. Maar voor de poetsvissen is het voordelig om met de parasieten ook een klein hapje vis te nemen, want dan hebben ze hun voedingsstoffen veel sneller binnen. Er bestaat alleen wel het risico op represailles. Nu bleek dat de poetsvissen die al wat avontuurlijker waren van zichzelf en bijvoorbeeld verder weg zwommen op zoek naar nieuwe vissen om van te eten of meer parasieten van één vis knabbelden, ook meer geneigd waren om even een klein extra hapje te nemen. De avontuurlijke types waren dus meer geneigd om de boel te belazeren dan hun voorzichtiger soortgenoten.

Definitie

Maar al die flora en fauna die aan de lopende band worden uitgeroepen tot oplichters en zwendelaars, dat ging een aantal Oxfordse biologen toch wat te ver. Dát er bedrogen wordt in de natuur staat als een paal boven water, maar niet alles is bedrog. Voor diefstal hoef je bijvoorbeeld niemand voor de gek te houden. Een dief wacht gewoon tot niemand kijkt en gapt zijn buit. Of neem de franjelipvleermuis, die het gekwaak van kikkers gebruikt om ze te traceren en op te eten. Daar is niet misleidends aan.

De Oxfordse onderzoekers onder leiding van hoogleraar evolutiebiologie Stuart West riepen daarom eerder dit jaar hun collega’s op om één evolutionaire definitie van bedriegen aan te houden. Volgens hen is bedriegen ‘voordelig voor de bedrieger en kostbaar voor de andere partij, mits de voordelen en kosten voortkomen uit coöperatief gedrag van de bedrogene richting de bedrieger.’ Een vorm van samenwerkingsgedrag in reactie op de bedrieger is dus essentieel om iets bedrog te kunnen noemen, maar verder is er weinig psychologisch aan.

Het lijkt er dus op dat intelligentie misschien niet een vereiste is om anderen te kunnen bedriegen, maar aan bedrog in het dierenrijk zitten wel degelijk psychologische aspecten. Het vermogen om samen te werken en die samenwerking om te buigen ten voordele van jezelf zijn een vorm van sociaal gedrag. En ook persoonlijkheid lijkt een rol te spelen. Bij mensen en vissen, maar misschien ook wel op het niveau van micro-organismen.

 

High van bedrog

Iemand bedriegen levert niet alleen tastbaar voordeel op, maar ook emotioneel. Bedriegers kennen namelijk een ‘high’, althans, menselijke bedriegers. Dat blijkt uit een studie die vorig jaar werd gepubliceerd door Amerikaanse en Britse onderzoekers in het wetenschappelijke tijdschrift Attitudes and Social Cognition. Het gangbare uitgangspunt van psychologen was altijd dat onethisch gedrag negatieve gevoelens tot gevolg heeft, zoals schaamte, schuldgevoel en onrust. Maar deze groep wetenschappers geloofde dat bedriegen ook een positieve uitwerking heeft en ging op onderzoek uit.

De onderzoekers lieten proefpersonen woorden maken met de letters van onzinwoorden. Na afloop van de taak moesten zij hun velletje met antwoorden optillen van de stapel papier waar het op lag en de stapel aan de experimentleider geven. Daar stonden zonder dat de proefpersonen het konden zien al hun antwoorden op. Vervolgens kregen zij een lijst met de goede antwoorden en moesten ze hun eigen antwoorden in alle privacy nakijken. Sommigen speelden toen vals. Ze vulden stiekem nog woorden in die ze niet hadden kunnen vinden.

Voor en na de test moesten ze in een vragenlijstje aangeven hoe ze zich voelden. De fraudeurs bleken zich voor de test ongeveer net zo te voelen als de proefpersonen die niet vals gespeeld hadden. Na afloop hadden beide groepen een positiever gevoel, maar de valsspelers voelden zich nog beter dan de mensen die zich netjes aan de regels hadden gehouden. Het was geen groot effect, dat moet gezegd, maar slechter voelden de bedriegers zich in ieder geval niet.