Google is deel van ons ik

We worden één met de ‘cloud’, schreef de Amerikaanse onderzoeker Adrian Ward onlangs. Volgens hem is er geen scherpe grens tussen wat we zelf weten en wat we via Google opzoeken. Zien we inderdaad niet meer waar internet ophoudt en ons eigen ik begint?

In Trouw, zaterdag 11 januari 2014

Hoe zit het nou, maakt de alwetende Google ons nou dommer of niet? Het korte antwoord is: we hebben nog geen idee. Maar er is ook een veel interessanter lang antwoord. Dat begint met een paar recente psychologische experimenten van de Amerikaanse onderzoeker Adrian Ward, die suggereren dat internet onderdeel wordt van onze eigen ‘ik’.
Ward wilde met de experimenten uitpluizen of internetgebruikers Google zien als een verlengstuk van hun eigen geheugen. Proefpersonen moesten antwoord geven op allerlei feitelijke vragen, zoals wat het snelste landdier te wereld is, welke Indiase stad de meeste inwoners heeft en wat de meestgesproken taal op aarde is. Vragen waarvan mensen zeiden dat ze het antwoord erop in principe zouden kunnen weten.
In het ene experiment moesten de proefpersonen de helft van de vragen beantwoorden door te zoeken op Google. Daarna kregen ze dezelfde vragen te zien plus twintig nieuwe en moesten ze zeggen of hun de vraag eerder ook was gesteld, of ze het antwoord wisten en of ze het antwoord hadden opgezocht of niet. Wat bleek? Bij nogal wat vragen waarbij mensen het antwoord hadden opgezocht, waren ze ervan overtuigd dat ze het zelf hadden geproduceerd, niet Google.
“Er is voor ons geen scherpe grens tussen wat we zelf weten en wat Google weet”, concludeert onderzoeker Adrian Ward aan de telefoon. “Google is onze transactieve geheugenpartner.” De mens werkt daar al zo lang mee als we kunnen nagaan. De mentor van Adrian Ward, de sociaalpsycholoog Daniel Wegner, introduceerde in de jaren tachtig de term ‘transactief geheugen’. De mens werkt daar al zo lang mee als we kunnen nagaan. Het idee is dat mensen onderdeel zijn van geheugennetwerken, waarbij ze het opslaan van bepaalde informatie overlaten aan leden in het netwerk die daar al veel over weten. “Weten wie iets weet is efficiënter dan zelf alles te moeten onthouden”, aldus Ward.

Geheugenpartners
In een doorsnee gezin heeft elk gezinslid z’n eigen rol als geheugenpartner. Neem ter illustratie het gezin waarin ik opgroeide. Mijn moeder is een kei in jaartallen, helemaal als het gaat om onze gezinsgeschiedenis. Ze kan zo uit haar geheugen opdiepen in welk jaar we op vakantie gingen naar Luxemburg, wanneer mijn broer ging studeren en in welke winter het was dat we haar verjaardag niet konden vieren vanwege hoge bergen sneeuw en ijzige wegen. Mijn zusje weet als geen ander hoe acteurs uit films heten of wat ook alweer de naam is van een liedje dat we vroeger leuk vonden. Bij mijn broer kan ik terecht als mijn website kuren vertoont en mijn vader is veel beter dan ik op de hoogte van het wel en wee van leden van de gigantische familie aan zijn kant.
Het transactief geheugensysteem werd eeuwen geleden al nuttig ingezet. De oude Grieken hadden allerlei methoden bedacht om informatie te onthouden en omdat sommige mensen daar nou eenmaal beter in waren dan andere, werden die speciaal aangesteld om wetten en regels te onthouden voor als iemand die eens nodig had. De Romeinen hadden speciale slaven om informatie te onthouden die van pas kon komen bij debatten en publieke redes. En ook bij de Perzen waren er mensen met speciale kennis die het ingewikkelde geheugensysteem van koorden en knopen konden interpreteren.
Internet is volgens Ward en zijn collega’s ook onderdeel van ons transactieve geheugen, en Google is de toegangspoort. Met als verschil dat het geen mens is, en supersnel, alleswetend en alomtegenwoordig. “Dat we niet goed weten waar onze eigen kennis ophoudt en die van Google begint, is goed te verklaren met de transactieve geheugentheorie”, aldus Ward. “Echt verrassend was de ontdekking dat we ons zekerder voelen over ons eigen kunnen als we antwoorden opzoeken op internet.”
Dat kwam uit een ander experiment, met meer dan 500 mensen die Ward via internet had gerekruteerd. Ook zij moesten antwoord geven op een aantal feitelijke vragen. Sommigen van hen checkten hun antwoorden met Google, anderen niet. Vervolgens scoorden ze hun eigen cognitieve vermogens op een schaal van 1 tot 7: Ik kan goed denken, Ik kan goed dingen onthouden, Ik weet waar ik antwoorden moet zoeken op vragen die ik niet weet – allerlei uitspraken over hun intelligentie, geheugen en hoe goed ze informatie kunnen vinden.
Ook nu waren de Google-gebruikers anders dan de andere proefpersonen. De mensen die hun antwoorden checkten met Google gaven hun eigen kennis en kunde gemiddeld een 5,5, de anderen kwamen niet hoger dan een 5 – een significant verschil. Met andere woorden: mensen die via Google informatie opzoeken, voelen zich zekerder over hun eigen cognitieve vermogens. Alsof ze de vaardigheden van Google toekennen aan zichzelf.

Versmelten met de cloud
Tel daar de andere bevinding bij op dat mensen denken dat ze informatie die ze via Google vonden uit hun eigen geheugen hebben opgediept, en je komt volgens Ward tot de slotsom dat mensen Google niet alleen zien als een soort extern geheugen, maar dat internet en het ‘ik’ in elkaar overlopen. In zijn woorden: we versmelten met de ‘cloud’.
“Ook als we aan mensen vroegen hoe goed ze het zouden doen als ze nog een quiz voorgeschoteld kregen, waarbij ze geen internet mochten gebruiken, hadden de mensen die in het experiment Google hadden gebruikt, het meeste vertrouwen in de uitkomst. Er is iets aan het gebruik van internet dat ons het gevoel geeft dat we slim zijn. Volgens mij komt dat doordat internet overal, makkelijk en snel te benaderen is en bijna alles erop te vinden is. We hoeven ons niet meer te realiseren dat we verbonden zijn met iets buiten onszelf. Internet is een onderdeel van ons geworden. We zoeken sneller iets op dan dat we in ons geheugen graven. Sterker nog, we hebben niet eens de tijd om te beseffen of we zelf het antwoord op een vraag misschien weten. We incorporeren de vermogens van internet in onze eigen geest.”

 

Zonder smartphone jezelf niet meer

Wim Westera, hoogleraar digitale media aan de Open Universiteit, is niet verrast door de uitkomsten van Adrian Wards experimenten. “Ons brein houdt niet op bij de grenzen van onze schedel. Cognitie komt tot uitdrukking in interactie met de omgeving. Kijken, een cognitieve activiteit, doen sommige mensen met een bril. Die bril is onderdeel van henzelf, het is een cognitief instrument om de kijkprestaties te verbeteren. Zij zijn zonder bril een ander persoon, en op dezelfde manier ben je tegenwoordig jezelf niet meer zonder smartphone. Dus dat mensen denken dat kennis die ze van Google hebben hun eigen kennis is en dat ze zich zekerder voelen over zichzelf mét Google, is niet zo vreemd.”

Ook Tom Postmes, hoogleraar sociale psychologie aan de Rijksuniversiteit Groningen, nuanceert de beweringen van Ward. “De invloed van technologie op ons leven is al decennialang aan het toenemen, maar de sociale veranderingen zijn veel minder groot en drastisch dan verwacht. Toen internet in de jaren zeventig ontwikkeld werd, voorspelde men dat het ons asociaal zou maken. Maar dat is niet gebeurd.”

En toch… Wat niet is, kan nog komen. Met Google als supergeheugenpartner hebben we geen andere mensen meer nodig om dingen voor ons te onthouden en onderdeel te zijn van ons geheugennetwerk. Dat zou best een langetermijneffect kunnen zijn van ons kennishuwelijk met Google, denkt Ward. Onderzoek van Wards collega’s liet al eens zien dat mensen bij het beantwoorden van vragen onmiddellijk en automatisch aan internet denken, en niet aan andere mensen. Wellicht maakt het internet ons nu dan toch eindelijk asociaal.

 

Gebruik van mobiele apparatuur voor internet onderweg
2007: 20%
2012: 61%
Bron: CBS

Percentage internetgebruikers

Bron: The World Bank

Hoeveel surfen we per week?
In uren per week

2011 2012
Totaal (13+) 11,3 11,3
man 12,5 12,5
vrouw 10 10,2
13-17 jaar 13,6 13,5
18-24 jaar 17,6 16,8
25-34 jaar 13,4 14,4
35-49 jaar 11 11,1
50-64 jaar 9 9
65+ 6,2 6,2
hoog opgeleid 13,4 13,3
midden opgeleid 10,5 10,6
laag opgeleid 7,7 8,3

Bron: Media Standaard Survey (TNS Nipo)