Hardop lezen in de middeleeuwen

Het Algemeen Nederlands bestaat nog helemaal niet zo lang. En toch is het alweer op zijn retour. Pas na de middeleeuwen begon men zich in Europa druk te maken over de eigen taal, grammatica en spelling. In zijn boek ‘Het einde van de standaardtaal’ geeft de neerlandicus Joop van der Horst een uitgebreide beschrijving van de opkomst en het verval van standaard taalnormen.

“Wanneer hij las, gingen zijn ogen over de bladzijden en zijn hart doorzocht de betekenis, terwijl zijn stem en zijn tong rustten.” Ambrosius’medebroeders kwamen regelmatig even in zijn cel zitten om hem geluidloos te zien lezen, want in de middeleeuwen was dat nogal vreemd, stillezen. Ambrosius was zijn tijd vooruit, want in de renaissance ging men het massaal doen.

Joop van der Horst schetst in zijn boek Het einde van de standaardtaal levendig de verschillen in hoe mensen naar taal kijken en hoe ze ermee omgaan tussen de middeleeuwen en de renaissance. Hij bepleit krachtig dat we tegenwoordig ook in een overgang zitten naar een andere taalcultuur, weg van de renaissancevisie op taal.

Als lezer word je eerst meegevoerd naar de middeleeuwen, waar Latijn als superieure taal gold. De gesproken taal was voor elke middeleeuwer het eigen dialect, en dat werd ook niet echt gezien als taal. Als men het al schreef, was dat een pure omzetting van de gesproken klanken naar letters.

Vanaf ongeveer 1400 verandert de kijk op taal. Bovenal wordt in de renaissance de volkstaal steeds belangrijker. De verschillende Europese talen worden zichtbaar, er komen woordenboeken, grammatica’s en spellingsregels om de taalnormen te definiëren en men hecht groot belang aan de geschreven taal. Aan die taalcultuur van de renaissance koppelt Van der Horst historische ontwikkelingen als de boekdrukkunst, het nationalisme en de oprichting van taalacademies in Frankrijk en Italië. De kernwoorden: volkstaal, norm en zuivering.

Barsten

Dat is nu aan het veranderen. Volgens Van der Horst begint de renaissancevisie op taal al vanaf 1860 barsten te vertonen en sinds de jaren 1970 ziet hij een duidelijke kentering. De standaardtaal waar men in de renaissance zo hard voor heeft gestreden, verdwijnt. Het pakket schrijfnormen en -regels verliest zijn gezag, de verschillen tussen talen worden kleiner en de verschillen binnen talen zichtbaarder, en de gesproken taal wordt steeds belangrijker. Dat begint al met de ontwikkeling van de fonograaf in de 19e eeuw en is tegenwoordig zichtbaar door de enorme vlucht die de ontwikkeling en verkoop van audioboeken heeft genomen.

Gezeur

Het einde van de standaardtaal is een verrassend relaas van een hoogleraar Nederlandse taalkunde die de zogenaamde taalverloedering in het licht zet van de overgang naar een andere taalcultuur. Zijn uitgebreide beschrijving van de taalculturen van de middeleeuwen en de renaissance vormen een stevig historisch fundament om zijn argumenten op te bouwen. Daarmee biedt hij tegenwicht aan al dat gezeur over het slechte taalgebruik van de jeugd en de verarming van de taal.

Van der Horst weet een krachtig beeld te schetsen van hoe we door de eeuwen heen tegen taal hebben aangekeken. Dat relativeert de angst dat het slecht gesteld is met onze taal. Toch slaagt hij maar deels in zijn bedoeling om de onrust over taalverandering en taalverloedering weg te nemen. Als lezer blijf je je afvragen hoe het verder moet als we straks helemaal geen standaartaal meer hebben om in te communiceren. Bestaat het Nederlands straks nog wel? Gaat de standaardspelling uiteindelijk overboord? Hoe kun je dan nog taalonderwijs geven?

Het einde van de standaardtaal leest makkelijk weg en Van der Horst heeft duidelijk al veel over zijn theorieën nagedacht, maar het laat je wel met allerlei vragen achter.

Joop van der Horst
Het einde van de standaardtaal
J.M. Meulenhoff, 375 pagina’s