…maar ze laten de spandoeken thuis

De VU-bèta’s zijn al twee jaar bezig om de samenwerking met hun UvA-collega’s concreet te maken. Het verzet tegen de bètafusie lijkt verstomd. Maar betekent die radiostilte ook dat iedereen de samenwerking nu ziet zitten? Een analyse van de drie karakters in het bètaverhaal.

In Advalvas #14, 23 maart 2016

1) De wetenschappers

Veel wetenschappers zien voornamelijk voordeel in verregaande samenwerking tussen de VU en de UvA. Vooral vanwege het geld. Willen zij op internationaal niveau blijven meedraaien en geld voor onderzoek blijven krijgen van NWO, de EU en andere subsidieverstrekkers, dan hebben ze twee dingen nodig: heel goed onderzoek en genoeg mensen. “Het onderzoek wordt steeds gedetailleerder en de apparatuur daardoor steeds duurder”, zegt UvA-hoogleraar microbiologie Leendert Hamoen. “Je kunt niet als klein groepje wetenschappers in je eentje blijven meedoen op internationaal niveau.” Samenwerken met collega’s van de andere Amsterdamse universiteit geeft meer slagkracht.

Toch is er ook terughoudendheid te bespeuren. ‘De bètasamenwerking wordt toegelicht op de werkvloer als de manier om maar liefst 4.000 onderzoekers bij elkaar te krijgen en om de citatie-indexen op het zelfde niveau te krijgen als een willekeurige aansprekende universiteit in de VS met een begroting die vier maal zo groot is als die van de VU’, schrijft Anoniem op de site van Advalvas. ‘Belangrijke vragen over de inhoudelijke logica achter zo’n samenwerking, de cultuurverschillen tussen bestaande groepen, en hoe fijn het is om als werknemer van zo’n groot instituut te moeten functioneren, worden allen onbeantwoord gelaten.’ Maar een anonieme reactie is nog geen verzet.

2) De laboranten

De VU en de UvA gaan ook onderzoeksapparatuur delen. Er zijn machines en apparaten die de ene groep wel heeft en de andere niet. Aan de VU staan zeer geavanceerde lasers, op de UvA hebben ze betere sterrenkijkers. Zo kunnen onderzoekers van elkaars spullen profiteren. Maar er is natuurlijk ook veel overlap. Pakt de bètasamenwerking voor de technici van de laboratoria dan niet uit als ontslagdreiging? Een samengevoegd lab heeft immers minder laboranten nodig dan twee aparte.

“Het is geen fusie, maar een samenwerking”, reageert laborant Elwin Janssen van organische chemie. “Iedere groep heeft zijn eigen technician. Die is verantwoordelijk voor de apparatuur van die groep. Dat geldt ook als we met UvA-groepen in één gebouw zitten.” Ook onderdeelcommissievoorzitter Trudie van Kampen van de faculteit Aard- en Levenswetenschappen (FALW) ontkent dat laboranten anders naar de samenwerking kijken. “De angst voor ontslag heerst helemaal niet. Dat is ook niet nodig want er zijn nog maar weinig laboranten over na de reorganisatie bij FALW. Die verliezen hun baan niet zo snel.”

Toch heeft het ondersteunend personeel wel degelijk een andere blik op de samenwerking. “De hoogleraren die de plannen maken, houden zich bezig met de hoofdlijnen, niet naar wat hun plannen betekenen voor de werkvloer”, zegt Bas van der Wagt, onderzoeksingenieur en odc-lid bij FALW. De odc bracht vorige maand een negatief advies uit over het samenwerkingsinstituut Earth, Ecology & Environment. Dat schoot een hoogleraar in het verkeerde keelgat. “De odc bij FALW bestaat voornamelijk uit ondersteunend personeel. Maar het is heel moeilijk voor de man aan de draaibank om iets zinnigs te zeggen over die plannen. We hebben het instituut niet weggestemd op de inhoud, maar voornamelijk omdat er te weinig moeite is gedaan om de plannen aan alle medewerkers voor te leggen.”

3) De studenten

Zelfs onder de studenten lijkt het verzet bekoeld. De anonieme verzetsgroep Animo heeft geen website meer en ook de website uvaleaks.nl, waar een aantal vertrouwelijke documenten over de bètasamenwerking op verschenen, is uit de lucht. Een van de grootste angsten was dat ze voor colleges heen en weer moesten peddelen tussen Zuidas en Science Park. Dat lijkt mee te vallen. Bij de inmiddels gezamenlijke opleiding scheikunde is er inderdaad college op beide locaties, maar het onderwijs wordt zo ingeroosterd dat studenten niet op één dag op beide plekken hoeven te zijn. Er zijn wel andere praktische problemen. De onderwijs- en examenreglementen van VU en UvA zijn nog niet gelijkgetrokken, studenten moeten werken met twee blackboards en ze hebben voor elke universiteit apart een collegekaart nodig.

“Maar in het algemeen staan UvA-studenten niet negatief tegenover de bètasamenwerking”, zegt Noa Visser van de UvA-bètastudentenpartij Lief. “Bij scheikunde, en ook natuurkunde, dat zo goed als samengevoegd is, vinden ze het fijn dat er meer keuzeruimte is. Scheikunde aan de VU heeft toch weer andere specialisaties.” Maar er zijn ook zorgen. “Natuurkundestudenten zijn bang dat het niveau van hun opleiding omlaag gaat omdat de docenten van de VU minder goed zijn of de VU-vakken niet goed aansluiten op de UvA-vakken. Het moet natuurlijk wel zo zijn dat de juiste docent een vak geeft en niet dat het gaat om een gelijke verdeling van docenten tussen VU en UvA.” Breed verzet tegen de bètasamenwerking verwacht Visser niet meer. Hooguit onvrede onder de studenten omdat ze vanwege gebrekkige communicatie geen idee hebben wat er speelt.

De facultaire studentenraden zijn uitermate tevreden over hoe zij betrokken worden bij het maken van de plannen. ‘Gezamenlijk onderwijs wordt alleen in samenspraak met de studenten van de drie faculteiten gerealiseerd’, mailt Sarah Azaabal van de studentenraad van Exacte Wetenschappen VU. De raden proberen de rest van de studenten erbij te halen. ‘Binnenkort organiseren we een debatavond waarop natuurkundestudenten kunnen discussiëren over de locatie van het onderwijs.’

Toch is het niet gezegd dat alles nu in kannen en kruiken is. De actievoerders bij recente studentenprotesten, zoals Titanic bij de reorganisatie van Aardwetenschappen en de Maagdenhuisbezetters, kwamen helemaal niet uit de medezeggenschapsgelederen. Juist de gewone student kan zich opeens realiseren dat zij/hij helemaal niet wil samengaan met die andere Amsterdamse universiteit en zich ontpoppen tot nieuwe protestleider. Het blijft dus toch een beetje spannend tot het eind.