Meer over taalverlies

De moedertaal zit rotsvast verankerd in de mens. Onderzoek onder migranten laat zien dat ze soms moeite hebben om op woorden te komen als ze hun moedertaal weer eens spreken, maar dat de onderliggende grammatica zeer stabiel is. We hebben het dan over mensen die vooral de taal van hun nieuwe thuisland gebruiken en die na hun twaalfde zijn vertokken uit hun vaderland.

Een Duits-Nederlandse wetenschapper die zich bezighoudt met taalverlies is Monika Schmid. Onlangs ontving ze een grote subsidie van de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO) voor een project waarin ze het taalverlies en de taalverwerving van groepen migranten met elkaar wil vergelijken. Wat mensen vooral over het onderwerp moeten weten? Schmid: “Als je eenmaal een taal volledig hebt geleerd, verleer je die niet meer zo snel.”

Onderzoek naar taalverlies laat zien dat woorden sneller verdwijnen dan de grammatica, dat de mate van verwantschap tussen de moedertaal en de taal van het nieuwe land van invloed is op het taalverlies en het lijkt er ook op dat mensen taal vergeten in omgekeerde volgorde dan hoe ze die leren. Een greep uit het onderzoek.

Joodse kinderen

Monika Schmid begon haar carrière op dit gebied met een onderzoek naar Duitse joden die tijdens de Tweede Wereldoorlog als kind uit Duitsland weggehaald waren om in Engelse pleeggezinnen op te groeien. Zestig jaar later werden ze geïnterviewd en toen bleek dat ze nog even goed Duits spraken als kinderen die op hetzelfde moment met hun hele gezin uit Duitsland gevlucht waren. Twee andere Duitse onderzoekers ontdekten dat een spreker die al decennia lang geen Duits meer sprak, steeds makkelijker op Duitse woorden kon komen toen ze in vier jaar regelmatig gesprekken had met de onderzoekers. De grammatica bleek bijna nog helemaal intact, die had weinig te lijden gehad van de dominantie van de tweede taal.

Onder Nederlanders die wegtrokken naar Canada, de VS en Australië zijn verschillende onderzoeken uitgevoerd. Merel Keijzer bestudeerde bijvoorbeeld Nederlandse Canadezen en ontdekte dat taalverlies precies tegenovergesteld is aan taalverwerving: wat je als laatste leert, verlies je als eerste. Ze richtte zich vooral op het verlies van morfologie en syntaxis. Ze liet de emigranten bijvoorbeeld meervouden of verleden tijden maken van onzinwoorden om te kijken in hoeverre ze dat nog op een Nederlandse manier deden, of de grammatica van zinnen beoordelen waarin met de woordvolgorde was gerommeld. Vervolgens keek ze ook hoe een groep Nederlandse tieners die taken uitvoerde. De twee groepen bleken bijna dezelfde fouten te maken, terwijl een controlegroep Nederlandse volwassenen ze niet maakte, waaruit Merel Keijzer concludeerde dat het proces van taalverlies het tegenovergestelde is van het proces van taal leren. Wat de jongelui nog niet helemaal onder de knie hadden, deden de emigranten weer verkeerd.

In de jaren negentig deed Tom Ammerlaan onderzoek naar Nederlanders in Australië. Hij keek vooral naar hun geheugen voor Nederlandse woorden en concludeerde dat de woorden niet zozeer helemaal vergeten waren, maar dat het Engels in de weg zat om de Nederlandse woorden snel op te halen. Lange woorden met een Engelse vertaling die er niet op lijkt, waren het moeilijkst voor de emigranten.

In dezelfde periode werkten Jaap van Marle en Caroline Smits aan bandopnamen van het verdwijnende Nederlands in van oorsprong Nederlandse nederzettingen in de Verenigde Staten. Zij zagen de werkwoordsbuigingen verdwijnen bij Nederlandse emigranten. Die vonden ‘Wij loop’ een prima combinatie, maar verwezen het Engelse ‘We walks’ wel meteen naar de prullenbak. Het Nederlands bleek op meer gebieden richting het Engels te verschuiven, want ook de verbuigingen van het bijvoegelijk naamwoord gingen langzaam verloren en het gebruik van de onvoltooid verleden tijd. Mensen zeiden steeds meer: ‘Ik heb hem in de kerk gezien’, in plaats van: ‘Ik zag hem gisteren in de kerk’.

Stabiel

In Nederland hebben we juist te maken met migranten die vanuit andere landen hierheen komen. Verliezen zij hun moedertaal? Monika Schmid bevestigt over de telefoon wat onderzoekers van de universiteiten in Nijmegen en Tilburg halverwege de jaren negentig ook concludeerden: “Eigenlijk gebeurt er niet zoveel meer met je moedertaal als je ouder dan twaalf was toen je je vaderland verliet. Het wordt misschien steeds wat lastiger om woorden op te halen, maar de onderliggende grammatica is stabiel.”

Maar dat taalverlies niet veelvuldig voorkomt onder migranten betekent niet dat het fenomeen oninteressant is voor de wetenschap. Volgens Schmid kan onderzoek naar taalverlies een nieuwe impuls geven aan het debat over de kritische periode, waardoor we dichter bij een antwoord komen op de vraag waarom er zo’n verschil is tussen kinderen die hun moedertaal leren en mensen die op latere leeftijd een tweede taal leren.

In het onderzoeksproject waarvoor ze net een grote NWO-subsidie ontving, wil ze de verwerking en productie van grammaticaal geslacht vergelijken bij mensen die het Nederlands en Duits als tweede taal hebben geleerd en bij mensen die die talen als moedertaal hebben geleerd en bij wie sprake is van taalverlies door migratie naar een Engelstalig land. Daarin neemt ze de invloed van leeftijd op het leren en verliezen van een taal ook mee.

De vraag in het taalverwervingsdebat is volgens Schmid of mensen die een tweede taal heel goed leren, moedertaalsprekers perfect nadoen en toch een ander onderliggend taalsysteem hebben, of dat het mogelijk is om een taalsysteem te ontwikkelen van een tweede taal dat volledig hetzelfde is als dat van moedertaalsprekers. Door nu eens niet alleen kinderen die bijvoorbeeld Nederlands leren en mensen met een andere moedertaal die Nederlands leren met elkaar te vergelijken, maar ook taalverliezers van het Nederlands daarin mee te nemen, kan er wellicht een antwoord op komen op die vraag. Taalverliezers verschillen in hun taalbegrip en -gebruik van moedertaalsprekers, net als mensen die die taal als tweede taal leren, en hebben te maken met een tweede taal die dominanter is. Maar ze hebben wel een intact onderliggend moedertaalsysteem. Schmid wil daarom tweedetaalleerders en taalverliezers van verschillende leeftijden met elkaar vergelijken en zo verschillen en overlap in het taalsysteem achterhalen en kijken welke invloed leeftijd heeft op het leren en verliezen van een taal.

Het leren van een tweede taal heeft volgens Schmid geen direct effect op het verliezen van de moedertaal. “Daar is geen enkele relatie tussen”, zegt ze. “Mensen denken vaak dat migranten hun eerste taal niet meer moeten spreken omdat ze dan beter Nederlands kunnen leren, maar dat heeft helemaal niks met elkaar te maken. Je hebt mensen die zowel hun moedertaal als de nieuwe taal perfect beheersen, mensen die uiteindelijk geen van beide talen goed kunnen spreken, en alles daar tussenin.”

In Werkverband Amsterdamse Psycholinguïsten Nieuwsbrief, juni 2010

T. Ammerlaan, ‘Roestig’ Nederlands in ‘slapende’ Nederlands-Australische tweetaligen, in: You get a bit wobbly…, proefschrift Katholieke Universiteit Nijmegen, 1996.
M. Grendel e.a., Taalverlies : schijnbaar of ongrijpbaar? Een overzicht van vijftien jaar onderzoek aan de KUN, in: Gramma/TTT, nummer 4, 1995.
Merel Keijzer, Last in first out? An investigation of the regression hypothesis in Dutch emigrants in Anglophone Canada, proefschrift Vrije Universiteit, 2007.
Lucas Ligtenberg, Siepels en patatten; bij taalverlies gaan werkwoordverbuigingen het eerst verloren, in: NRC Handelsblad, 19 juli 1997.
Monika S. Schmid (ed.), New perspectives on L1 attrition, in: Bilingualism: language and cognition (special issue), januari 2010.
Monika S. Schmid, Qualitative vs. quantitative differences of native and foreign language learning, VICI-projectvoorstel voor NWO, 2009.