Ooit kunnen we zeggen wat taal is

Volgens nestors als Noam Chomsky en Ian Tattersall is het onderzoek geen steek opgeschoten: nog altijd weten we niet hoe taal is ontstaan en geëvolueerd. Jonge onderzoekers denken daar anders over.

In Trouw, 29 juli 2014

De oorsprong van taal en z’n evolutie zijn nog even onbekend als vijfentwintig jaar geleden, toen het onderzoek ernaar een vlucht nam. Dat beweert een aantal vooraanstaande wetenschappers in een artikel in het wetenschappelijke tijdschrift Frontiers in Psychology in mei. Onder hen zijn de invloedrijke taalwetenschapper Noam Chomsky en de gerenommeerde Britse paleoantropoloog Ian Tattersall.

“De rijkdom aan ideeën gaat gepaard met een armoede aan bewijs”, schrijven ze bijna poëtisch. En de gebieden waarin we de antwoorden zoeken, zoals dierentaal- en fossielenonderzoek en genetica, leveren ten eerste nog niks op, en gaan dat ten tweede ook niet snel doen.
Met hun artikel willen de auteurs een tegenwicht bieden aan wetenschappers en journalisten die voorbarige conclusies trekken over de oorsprong van taal, bijvoorbeeld dat vogels en apen een vergelijkbaar denkvermogen hebben als mensen of dat Neanderthalers taal hadden. Daar is geen of niet voldoende bewijs voor, zeggen ze.

In het taalevolutieveld is met enige irritatie gereageerd op het artikel. De auteurs hebben wel een punt, vinden velen, maar wat draagt zo’n negatief stuk bij aan de wetenschappelijke vooruitgang? Feit is hoe dan ook dat we nog geen idee hebben wanneer taal precies is ontstaan, hoe het kan dat mensen zijn gaan praten (en gebaren) en andere diersoorten niet en hoe dat proces is verlopen.

“Bij evolutieonderzoek heb je twee mogelijkheden”, vertelt bioloog Johan Bolhuis van de Universiteit Utrecht, die onderzoek doet naar taalevolutie. “Je kan kijken naar nauwverwante diersoorten of naar dieren die helemaal niet verwant zijn, maar om de een of andere reden wel vergelijkbare eigenschappen hebben. En dan moet je vergelijken: gedrag, genen, hersenen, evolutionaire ontwikkeling. Maar het lastige is dat noch onze nauwste verwanten de mensapen, noch andere diersoorten iets hebben wat op echte taal lijkt.”

Wat dat is dan, echte taal? Eigenlijk begint met die vraag de onenigheid tussen wetenschappers al. Volgens de auteurs van het artikel, en ook Johan Bolhuis, is het geen communicatie en ook geen spraak. Dat is slechts wat we met taal doen en hoe we het naar buiten brengen. Communicatie en spraak zijn volgens hen ook niet speciaal menselijk – wat niet iedereen met ze eens is. Planten communiceren ook op bepaalde manieren, zeggen ze, en allerlei diersoorten maken gebruik van hun stem om een boodschap over te brengen. De kern van taal, zegt deze invloedrijke stroming in de taalwetenschap, is de grammatica. Wat mensentaal het allerbijzonderst maakt, is dat we woorden eindeloos aan elkaar kunnen plakken in zinnen met een hiërarchische structuur.

Zwemmen

Taalkundigen maken dat duidelijk met vaak nogal aparte zinnen, die je niet snel zou gebruiken, maar die op zich grammaticaal wel kloppen. In het bewuste artikel is het een Engelse versie van de zin ‘We weten, dat adelaars die eten, zwemmen’. Iedereen ziet dat het weten slaat op het zwemmen van de adelaars, en niet op het eten, ook al staan de woorden weten en eten dichterbij elkaar. Dat komt door die hiërarchie: zwemmen staat hoger in de zinsstructuur dan eten, en daardoor slaat weten daarop en niet op eten.

Hiërarchie is volgens deze taalkundigen de essentie van taal, en zulke getrapte structuren zien we vooralsnog nergens anders in het dierenrijk terug. Dat klinkt misschien logisch, omdat onze apenbroeders en -zusters niet eens kunnen praten, laat staan dat ze een ingewikkelde taal hebben, maar dat is het niet per se. De laatste jaren wordt bijvoorbeeld veel onderzoek gedaan naar zangvogels. En ook al zeggen de auteurs van het artikel dat onderzoek naar dieren en taal nog maar weinig heeft opgeleverd, door het bestuderen van zangvogels weten we toch echt al meer over onze eigen taal dan voorheen.

Zangvogels, waarvan de zebravink in deze context met name wordt onderzocht, zijn geen nauwe verwanten van de mens, maar ze hebben wel een vergelijkbare eigenschap: zang. Zebravinkjongen blijken zang op dezelfde manier te leren als mensenkinderen taal. Eerst brabbelen ze een beetje, dan fluiten ze losse woordjes en uiteindelijk bestaat hun zang uit langere melodische structuren.

Ze hebben ook net zo’n goed ritmegevoel als mensen, wat belangrijk is om afzonderlijke stukjes met een eigen betekenis (woorden) uit de klankenstroom op te vissen. Bovendien zijn bij zangvogels dezelfde gebieden in de linkerhersenhelft gespecialiseerd voor zang als bij mensen voor taal.

Bolhuis een zijn collega’s ontdekten recent nog een overeenkomst: het belang van slaap. “Wat in de hersenen gebeurt tijdens de slaap, heeft te maken met wat je overdag geleerd hebt. Als je kinderen in een lab iets laat leren, onthouden ze het beter als je ze tussendoor even een dutje laat doen. Dat is bij zangvogels ook zo.” Zo zegt zangvogelonderzoek ook wat over het leren van taal bij mensen, al benadrukt Bolhuis dat er nog geen bewijs is gevonden voor hiërarchische structuren in de zang.

Taalgen

Dierenonderzoek is niet het enige gebied waar vooruitgang wordt geboekt, ook al gaat het langzaam. Een aantal jaren geleden is een gen ontdekt dat iets met taal te maken heeft, FOXP2. Een Engelse familie, waarvan de leden grote moeite hebben met spreken en taal, bleek een mutatie te hebben in dat gen. Het ging in de media de wereld rond als hét taalgen. Dat is het niet, maar het is zeker belangrijk voor taal en spraak. Inmiddels is bekend dat alle dieren het gen hebben, en dat het gen net wat anders is bij chimpansees dan bij mensen.

“Er is nu ook vastgesteld dat Neanderthalers bijna exact dezelfde variant van het FOXP2-gen hadden als mensen”, zegt Jelle Zuidema, taalwetenschapper aan de Universiteit van Amsterdam, die de ontwikkelingen in de taalgenetica veelbelovend vindt. “Zo’n bevinding heeft impact op onze theorieën over taalevolutie. Uiteindelijk zullen er ook genen geïdentificeerd worden die bijvoorbeeld een verhoogd risico op taalstoornissen geven. De grote doorbraak staat niet voor de deur, maar het gaat wel wat opleveren.”

Datzelfde geldt voor de archeologie en paleoantropologie. Op basis van fossielen en andere bodemvondsten is geconcludeerd dat homo sapiens ongeveer 200.000 jaar geleden ontstond en zich rond 60.000 jaar geleden begon te verspreiden. Veel taalkundigen zien dat moment ook als het begin van de taal, omdat het gedrag van onze voorouders opeens veranderde. Ze gingen ingewikkelder gereedschappen maken, waar planning bij kwam kijken, en maakten gebruik van symboliek in de vorm van gegraveerde objecten. Daarvoor is complexe cognitie vereist, wat ook nodig is voor onze taal, is de aanname. Maar ook hier is discussie over. Vorig jaar beweerden twee wetenschappers van het Nijmeegse Max Planck-taalinstituut op basis van onder andere DNA-analyses, gevonden schedels en vondsten van ingewikkelde gereedschappen, dat ook Neanderthalers taal hadden.

Zij stellen dat taal al zo oud moet zijn als de gemeenschappelijke voorouder van de moderne mens en de Neanderthaler, homo heidelbergensis, die zo’n 500.000 jaar geleden op aarde rondliep, en dat taal veel langzamer is geëvolueerd tot wat het nu is dan doorgaans wordt aangenomen.

Overdreven

De oorsprong en evolutie van taal zijn nog in grove nevelen en bonte discussies gehuld. Maar beweren dat we nog geen stap verder zijn dan vijfentwintig jaar geleden is ook overdreven.

Jelle Zuidema: “Al het onderzoek op al die gebieden levert kleine bouwstenen waarmee we de puzzel langzamerhand proberen op te lossen.” Bovendien is er volgens hem een verschuiving gaande in het veld. “Er komt steeds meer ruimte voor gradaties. De traditionele stroming, waar de auteurs van het artikel toe behoren, benadrukt het verschil tussen mensen en andere diersoorten. Maar in het veld is ook veel aandacht voor de overeenkomsten. Taal kan best gebaseerd zijn op een algemene leermethode, die andere dieren ook hebben, die voor mensen specifiek is aangepast voor taal.”

In zijn ogen mogen de nestors van het onderzoek naar de mens en z’n taal best wat meer het enthousiasme van de nieuwe generatie stimuleren.

 

Hoe zit het nou, met die evolutie van taal?

De twee grootste theorieën in de taalwetenschap gaan ervan uit dat veel aspecten van taal uniek zijn voor de mens. De traditionele school, waartoe onder andere de auteurs van het in de tekst aangehaalde artikel behoren, zegt dat ons taalvermogen opeens is ontstaan, tussen 100.000 en 60.000 jaar geleden. De andere theorie, van de taalwetenschappers Steven Pinker en Ray Jackendoff, gaat uit van een meer stapsgewijze evolutie. De eerste sporen van taal zijn al in verre voorouders van de mens ontstaan zijn, dat kan miljoenen jaren geleden zijn, en langzaamaan verder geëvolueerd.

Aan de andere kant zijn er ook wetenschappers die niet geloven dat taal uniek is voor de mens. Andere dieren hebben misschien niet precies zoiets als taal, maar ons taalvermogen is wel gebaseerd op algemene cognitieve principes, die andere dieren ook hebben, zeggen zij. Door culturele evolutie werd de mens coöperatiever, waarvoor een complexere cognitie nodig was, waar taal uit ontsproot. De een beweert dan weer dat het een stapsgewijs proces was, de ander gelooft in een vrij plotseling begin.

En dan heb je nog de wildere theorieën, zoals van Michael Corballis. Hij vindt dat we te veel focussen op gesproken taal. Taal komt volgens hem voort uit gebaren. De mens gebaarde al voordat hij kon praten en gaandeweg ontwikkelde zijn strottenhoofd zich zo dat de stem het overnam. Nee, zegt Steven Mithin tot slot, taal komt voort uit zang. Mensen konden eerst dansen, muziek maken en zingen, en daaruit ontwikkelde zich de gesproken taal. Het behoeft geen uitleg dat deze theorie populair is onder muziekwetenschappers.