Therapie dyslexie komt niet uit de scan

Op zoek naar de oorzaak van dyslexie, duikt de wetenschap steeds dieper het brein in. Dat levert veel kennis op, maar een therapie haal je niet uit de hersenscan. Daarvoor moet je de klas in.

In Trouw, zaterdag 21 februari 2015

Nog even, hoopten wetenschappers, en dyslexie is van deze aardbodem verdwenen. Niet dat die in de toe komst niet meer bestaat: dyslexie blijft een grotendeels erfelijke stoornis en we hebben de betrokken genen nog niet allemaal in kaart gebracht. Maar door dit genetische foutje ‘uit te schakelen’, komt het in elk geval niet meer tot ontwikkeling.

Met dat ideaal voor ogen zijn wetenschappers nog steeds druk doende om de leesstoornis te ontrafelen. Wat er aan de oppervlakte mis gaat, is wel bekend, maar wat het veroorzaakt is nog niet zo duidelijk.

Kinderen, en volwassenen, met dyslexie hebben grote moeite met lezen, spellen en schrijven, terwijl hun intelligentie normaal is. Ze kunnen niet zo automatisch taalklanken aan letters koppelen als mensen zonder dyslexie. Ze blijven bijvoorbeeld de b en d door elkaar halen. Of ze kunnen niet zo snel als anderen dingen benoemen. Ze zijn ook minder goed in rijmen. En die leesproblemen zijn hardnekkig. Onder wetenschappers leeft de hoop dat ze ooit, voordat een kind leert lezen en schrijven, kunnen voorspellen dat het dyslexie zal krijgen. En dat ze het vervolgens al jong een behandeling kunnen aanbieden, zodat de stoornis zich niet ontwikkelt. Maar het is de vraag of het ooit zo ver zal komen.

Klanken

Lange tijd dacht men dé voorloper van dyslexie bij jonge kinderen gevonden te hebben. Uit heel veel onderzoek blijkt dat deze kinderen, ook als jong kind al, taalklanken niet goed kunnen verwerken. Dat uit zich er bijvoorbeeld in dat ze niet zo goed kunnen bepalen welke woorden met dezelfde klank beginnen, of welke woorden rijmen. Ze horen het verschil tussen de ene en de andere klank minder Goed. En dan kun je vervolgens moeilijk leren dat bij de ene klank de ene letter hoort en bij de andere de andere.

Helaas bleek toch niet elke dyslecticus dit zogeheten fonologische verwerkingsprobleem te hebben, en ook niet iedereen die het had, kreeg later dyslexie. Men moest toegeven dat dit niet dé oorzaak kon zijn van dyslexie. Dus zocht men verder.

De meeste dyslectici bleken ook grote moeite te hebben met het snel kunnen benoemen van objecten, plaatjes, kleuren of symbolen. En ook de visuele aandacht werkt minder goed.

Onderzoekers van de universiteit van Padua hielden een paar jaar geleden kinderen die nog niet konden lezen een hele reeks symbolen voor waarin ze telkens hetzelfde symbool moesten doorstrepen, bijvoorbeeld ᴥ in het rijtje † ≥ Ω ᴥφ ∩ † β ≈ ᴥ ∆ β. Vervolgens werden twee jaar lang hun leesprestaties in de gaten gehouden. De kinderen die slecht scoorden in de test waren de kinderen die later leesproblemen hadden, dus met die visuele aandacht lijkt ook iets mis te gaan.

Het brein in

Om erachter te komen wat de basis is van deze zwaktes in dyslectici, gaat het onderzoek tegenwoordig steeds dieper het brein in. Wetenschappers willen weten welke hersenstructuren, -functies en -netwerken het niet zo goed doen, om de stoornis te begrijpen, en misschien ooit op dat niveau te kunnen ingrijpen. In een artikel in het februarinummer van het tijdschrift Current Opinion in Neurobiology vatten drie Amerikaanse onderzoekers de bevindingen uit hersenonderzoek samen. Het komt erop neer dat het hersennetwerk waarvan we al wisten dat het met lezen te maken heeft, voornamelijk in de ‘talige’ linkerhersenhelft, minder goed werkt bij kinderen met dyslexie. De betreffende gebieden zijn minder actief en de verbindingen langzamer.

“We weten steeds meer over de risicofactoren voor dyslexie, ook door hersenonderzoek”, reageert Aryan van der Leij, emeritus hoogleraar orthopedagogiek aan de Universiteit van Amsterdam. “Maar de vraag is hoe we die kennis van het brein, en ook de genen, kunnen toepassen in de diagnose en behandeling van individuele gevallen. Hoe verder je van het waarneembare gedrag af komt – moeite met lezen en spellen – hoe moeilijker het wordt om wat je vindt precies te relateren aan die leesproblemen.”

Van der Leij liet zich daardoor niet weerhouden om ook hersenonderzoek naar dyslexie te doen. In het Dutch Dyslexia Programme, dat de afgelopen vijftien jaar in Nederland werd uitgevoerd, wilden hij en zijn collega’s onder andere weten hoe vroeg je die breinafwijkingen al kunt waarnemen. “We hebben gezien dat het brein bij baby’s met een zogenoemd familiair risico op dyslexie al anders functioneert dan bij kinderen die geen dyslexie in de familie hebben”, vertelt hij.

“Een deel van de risicogroep bleek later ook daadwerkelijk dyslexie te krijgen. Zij hadden meer moeite met lezen en spellen, hadden een slechter fonologisch bewustzijn en konden minder snel dingen benoemen, én ze hadden als baby al een afwijkend brein, voornamelijk in de verwerking van spraakklanken. Het is dus een complex van samenwerkende factoren die dyslexie veroorzaken, niet één voorloper. Maar die kennis omzetten naar een behandeling is nog niet zo eenvoudig.”

Het meer praktische onderzoek naar de behandeling van dyslexie houdt zich dan ook verre van het brein, waarvan het onderzoek duur en omslachtig is en vooralsnog niet veel toevoegt. Wel verschuift het onderzoek naar steeds jongere kinderen, onder andere in het Dutch Dyslexia Programme.

“Uiteindelijk kunnen we leesproblemen deels voorspellen zonder dat we breingegevens hebben,” aldus Van der Leij. “Als we kijken naar de familie, hoeveel letters een kind al geleerd heeft in groep 2 en of het dan problemen heeft met het onderscheiden van taalklanken, pikken we zo’n 80 procent van de kinderen eruit die in groep 5 leesproblemen krijgen.”

Van der Leij ontwikkelde met collega’s voor die kinderen een methode, Bouw!, om al in groep 2 te beginnen met extra hulp bij lezen. Op die methode promoveerde Anne Regtvoort onlangs aan de Universiteit van Amsterdam.

Oefenen

De ‘risicokleuters’ deden computertaakjes om ze al in te wijden in het alfabetisch systeem. De kleuters begonnen met letters, dan lettercombinaties, zoals sch, en vervolgens woorden. Uit Regtvoorts onderzoek bleek dat deze methode, mits er twee jaar lang gestructureerd werd geoefend, het aantal kinderen met leesproblemen in groep 5 flink deed dalen. Aanvankelijk zwakke lezers lazen op het niveau van goede lezers die het programma niet hadden gevolgd, en de groep kinderen die een erfelijkheidsrisico op dyslexie hadden en in groep 5 bij de 10 procent slechtste lezers behoorden, nam met de helft af.

Dus door flink te oefenen met het alfabet kan al op jonge leeftijd worden ingehaakt op toekomstige leesproblemen. Hoe het breinonderzoek daaraan toch nog iets aan toe kan voegen, of er daarmee bijvoorbeeld minder intensieve interventies mogelijk zijn, is nog braakliggend terrein.

Van der Leij: “Er wordt vooruitgang geboekt in hersenstimulatie met geïmplanteerde chips, bijvoorbeeld bij epilepsie- en Parkinsonpatiënten. Even speculerend is het denkbaar dat we dyslexie ooit zo goed gelokaliseerd hebben in het brein dat we de hersenen zo kunnen stimuleren dat je de problemen voorkomt. Maar ik betwijfel of ik dat nog ga meemaken.”

 

Dyslexie zonder letters

Ook in talen met een ander schriftsysteem komt dyslexie voor. In het Nederlands symboliseren de geschreven letters de taalklanken. We hebben weliswaar iets meer klanken dan letters, denk bijvoorbeeld aan de oe, maar het systeem is redelijk één op één. Het Chinees heeft als schrift een klank-woordsysteem. Eén karakter symboliseert niet één letter maar vaak een heel woord. En toch kunnen ook Chinese kinderen dyslexie krijgen.

Dyslexie lijkt bij Chinese kinderen op dezelfde onderliggende problemen gebaseerd als bij alfabetische talen. Vorig jaar publiceerden wetenschappers van de Universiteit van Hong Kong een onderzoek in het tijdschrift Reading and Writing waarin ze kinderen met een erfelijk risico op dyslexie hadden onderzocht.

De risicokinderen die later ook daadwerkelijk dyslexie kregen, bleken net als Amerikaanse en Nederlandse kinderen problemen te hebben met de verwerking van taalklanken. Dus ook bij hen is er een relatie tussen hun klankbewustzijn en het later leren lezen.

 

Meer dyslectici?

Eén op de twintig basisschoolkinderen heeft dyslexie, volgens de jongste cijfers van het Centraal Bureau van de Statistiek. Tien jaar eerder waren dat er iets minder (één op de vijfentwintig), maar het cijfer blijft over de jaren redelijk stabiel.

“Mensen hebben misschien het idee dat het meer voorkomt, omdat er meer aandacht voor is in de media”, zegt Peter de Jong, hoogleraar onderwijskunde aan de Universiteit van Amsterdam en voorzitter van de Stichting Dyslexie Nederland. “Maar er zijn geen aanwijzingen dat het aantal gevallen met dyslexie is toegenomen.”

De diagnose dyslexie wordt niet zomaar gesteld. Het gaat niet om een beetje moeite met lezen en spellen. Een kind moet op school gedurende een jaar tot de slechtste 10 procent lezers in de klas behoren en moet uitgebreid extra hulp met lezen hebben gehad zonder vooruit te zijn gegaan.

Pas dan kunnen scholen het kind aanmelden voor een onderzoek door een psycholoog of orthopedagoog. Die neemt tests af en stelt de diagnose dyslexie of niet. Binnen die groep komt vervolgens een selectie in aanmerking voor een vergoeding van extra zorg voor het kind.

Op de basisschool krijgen kinderen met dyslexie vervolgens zeer vastomlijnde extra hulp bij het (leren) lezen, met veel aandacht voor letters, woorden en tekst lezen, spelling en begrijpend lezen. “Maar zelfs dan is er een groep die echt niet goed leert lezen”, aldus De Jong. “Dyslexie is een hardnekkig probleem. Juist mensen met dyslexie moeten blijven lezen, om hun vaardigheid op peil te houden.”