U bent wat u spreekt

Verandert de manier waarop we de wereld waarnemen als we een tweede taal leren? Een nieuwe reeks experimenten lijkt te suggereren van wel. Hoe het idee dat de taal die we spreken onze psyche beïnvloedt na een langdurig taboe weer in opkomst is.

In NWT Magazine, november 2010.

Met in elkaar gevouwen handen steekt Maais haar armen uit, eerst rechts, dan links en dan twee keer rechts. Het is een simpel dansje dat ze moet leren. De leraar draait haar een halve slag en vraagt om hetzelfde dansje nog een keer te doen. Dan doet Maais iets wat voor haar de normaalste zaak van de wereld is, maar voor veel mensen nogal opmerkelijk. Ze steekt haar armen in precies de omgekeerde volgorde uit: eerst links, dan rechts en dan twee keer links. Alsof ze uitgaat van de toeschouwer in plaats van zichzelf.

Maais is een meisje uit het noorden van Namibië. Of eigenlijk is ze verzonnen voor het begin van dit verhaal, maar het idee is dat ze geboren en getogen is bij een Afrikaanse stam, de ≠Akhoe Hai//om (de tekens staan voor klikklanken uit de taal). Een groep Duitse wetenschappers heeft de leden van die stam de afgelopen jaren onderzocht en een van de dingen die zij hebben ontdekt, is dat ze een andere notie hebben van links en rechts dan wij (Current Biology, 15 december 2009). Als de Namibiërs danspassen moeten onthouden, koppelen ze in hun geheugen de bewegingen van hun lichaam aan de windrichtingen. Voor hen is links altijd west.

De onderzoekers borduren met hun onderzoek voort op het idee dat cultuur en taal invloed hebben op hoe je naar de wereld kijkt en erover denkt. Dat is tegenwoordig opeens weer een populair thema onder antropologen en taalkundigen, nadat het in de jaren zestig uit de mode raakte. Mensen verschillen namelijk nogal in hoe ze naar de wereld kijken. De Guugu Yimithirr uit Australië en de Tzeltal uit Mexico hebben bijvoorbeeld ook een absoluut gevoel voor windrichtingen, net als de Namibische stam. Als die mensen vertellen over een auto die naar het westen rijdt, zal de beweging die ze er met hun hand bij maken ook altijd naar het westen gaan, ongeacht hoe ze staan. Dus naar links als ze naar het noorden kijken en rechtdoor als ze naar het westen kijken. Wij gaan in zo’n situatie uit van onszelf en wijzen altijd naar links van onszelf als we de auto naar links zagen rijden, Welk referentiepunt mensen aanhouden, komt tot uitdrukking in de taal, maar ook in hoe ze danspassen onthouden en gebaren maken als ze iets vertellen. Hoe mensen over de wereld denken is blijkbaar verbonden aan hun taal.

Maar hoe diep zit die invloed? En hebben we er ook nog iets aan? Met nieuwe experimenten proberen wetenschappers die vragen nu alsnog te beantwoorden. De inzichten waarmee ze komen, zijn op zijn zachtst gezegd opmerkelijk.

Een van de nieuwe manieren om de invloed van taal op het denken te onderzoeken is door experimenten los te laten op de meertalige mens. Als het zo is dat taal een effect heeft op hoe iemand over de wereld denkt, dan zal dat voor zijn moedertaal gelden maar ook voor een nieuwe taal. En dat kun je onderzoeken op punten waar de twee talen afwijken.

Een klassieker is de waarneming van kleuren. Talen verschillen behoorlijk wat betreft de kleuren waar ze een naam voor hebben en welk gedeelte van het kleurenspectrum die naam precies omvat. Dat blijkt ook een effect te hebben op hoe snel en accuraat je kleuren uit elkaar kan houden: het gaat minder goed bij kleurschakeringen die in jouw taal binnen één kleur vallen.

De indianentaal Zuni heeft bijvoorbeeld maar één naam voor de kleuren die wij geel en oranje noemen  en die mensen kunnen ze ook niet zo goed uit elkaar houden als wij. Bij een meertalig persoon kun je kijken of zijn kleurwaarneming nog hetzelfde is als van zijn eentalige moedertaalgenoten of dat die verschuift naar een waarneming volgens de tweede taal.

Eindpunt

‘Cognitieve reorganisatie’, noemt Panos Athanasopoulos van de Universiteit van Bangor in Wales dat verschijnsel. Hij komt oorspronkelijk uit Griekenland en doet onderzoek naar de representatie van Grieks blauw bij Griekse Engelsen. Het Grieks heeft twee woorden voor de kleur die in het Engels gewoon blauw heet: de donkere variant heet ‘ble’ en de lichtere heet ‘ghalazio’. De grens tussen die twee kleuren Grieks blauw verschuift bij Grieken die al lang in Groot-Brittannië wonen: hun kleur ‘ble’ omvat lichtere blauwschakeringen dan die van Griekse Grieken. De waarneming verandert langzamerhand in de richting van de Engelse kleur blauw, ook in de hersenen, in een heel vroeg, voorbewust stadium van waarnemen (Bilingualism: Language and Cognition, januari 2009).

Bij Spanjaarden in Zweden verandert de psyche ook. Zij gaan anders naar bewegingen kijken, vanwege grammaticale verschillen tussen het Spaans en het Zweeds. Die verschillen zijn dezelfde als tussen het Engels en het Duits. In het Engels kun je, net als in het Spaans, met een specifieke grammaticale vorm een beweging benoemen die op dit moment plaatsvindt: ‘He is riding a bike.’ Maar het Zweeds en Duits hebben die mogelijkheid niet.

Dat dat taalverschil cruciaal is, ontdekte Marianne Starren, docent aan de Radboud Universiteit Nijmegen. In haar experimenten liet ze mensen een filmpje zien van bijvoorbeeld een rijdende trein of een fietsende vrouw, dat ze moesten navertellen. Van alle mensen die meededen – onder andere Fransen, Engelsen, Duitsers, Russen, Chinezen – bleek de grootste tegenstelling die tussen Duitsers en Engelsen te zijn. De Engelsen beschreven namelijk puur de beweging: ‘The train is riding on the train tracks’, maar de Duitsers voegden eraan toe waar de trein naartoe ging: ‘Der Zug fährt am Gleisen… auf einem Bahnhof zu.’ Terwijl er niet eens een station in beeld was. De Engelsen begonnen ook meteen te rapporteren zodra het filmpje startte, maar de Duitsers wachtten nog even af of er misschien een eindpunt in zicht zou komen. Dat was niet zo, en het eindpunt verzonnen ze er dan maar bij.

‘Ook als je de oogbewegingen meet, is er een verschil tussen Engelsen en Duitsers’, zegt Marianne Starren aan de telefoon. ‘We volgden met kleine camera’s de ogen van de proefpersonen en de Duitsers bleken meteen op zoek te gaan naar een eindpunt voorbij de trein, terwijl de blik van de Engelsen de hele tijd op de trein zelf bleef rusten.’ De enige manier waarop ze haar bevindingen kon verklaren was aan de hand van het taalverschil. De Engelsen keken op een andere manier naar het filmpje dan de Duitsers doordat hun taal een specifieke grammaticale vorm heeft voor iets wat op dit moment gaande is en het Duits niet.

Samen met collega’s van de Radboud Universiteit Nijmegen en de Universiteit van Heidelberg deed Starren vervolgens experimenten met Duitsers die Engels spraken en Engelsen die Duits hadden geleerd, om te zien hoe ze de filmpjes zouden navertellen in hun tweede taal. De Duitsers zeiden: ‘The train is riding towards the train station’ en de Engelsen: ‘Der Zug fährt am Gleisen.’ De proefpersonen volgden bij het beschrijven van een filmpje in hun tweede taal dus de manier van hun moedertaal, ook al beheersten ze hun tweede taal heel goed.

Dat was anders bij de Spanjaarden in Zweden.Toen de Zweedse onderzoeker Emanuel Bylund Starrens experiment met de Spanjaarden herhaalde, ontdekte hij dat het wel degelijk mogelijk is om volgens de gebruiken van je tweede taal naar gebeurtenissen te kijken (Bilingualism: Language and Cognition, juli 2009). De Spanjaarden die al op heel jonge leeftijd Zweeds hadden geleerd, gingen ook eindpunten noemen, zoals in het Zweeds en het Duits gebruikelijk is, maar niet in het Spaans. Maar hoe ouder de Spanjaarden waren voor ze Zweeds leerden, hoe minder ze de Zweedse manier overnamen om gebeurtenissen die op dit moment gaande zijn te beschrijven.

Dat raakt aan een belangrijke voorwaarde voor cognitieve reorganisatie. De Grieken in Engeland, die Engelser naar blauw gaan kijken, en de Spanjaarden in Zweden, die eindpunten opeens belangrijk vinden terwijl ze daar in Spanje niet om gaven, hebben een ding gemeen. Ze wonen al lang in het land van hun tweede taal. Dat is niet toevallig. Voor een reorganisatie van de psyche door de tweede taal moet je langdurig en intensief contact hebt met de nieuwe taal en met andere mensen die die taal als moedertaal spreken. Dat kan ook wel als je blijft in het land waar je geboren bent, maar het gaat een stuk gemakkelijker als je in het land van de tweede taal woont. Wat precies de doorslaggevende factor is – het niveau waarop je de tweede taal beheerst, de duur van je verblijf in het nieuwe land, de leeftijd waarop je de nieuwe taal begint te leren – daarover wordt nog druk gesteggeld in de wetenschap. Maar op z’n Engels naar blauw kijken, leer je hoe dan ook niet zomaar.

Taal als gereedschap
Als woorden echt bepalen hoe we de wereld beschouwen, dan heeft taal msischien wel een cruciale rol gespeeld in de evolutie – al werktuig om de omgeving te ‘temmen’. Onder meer psycholoog Gary Lupyan van de universiteit van Yale meent dat het idee dat de evolutie van taal te verklaren valt door aan te nemen dat taal het denken beïnvloedt. Uit onderzoek van hem en zijn collega’s blijkt dat mensen makkelijker dingen uit elkaar houden en onthouden als ze er eerst een naam voor hebben geleerd. Dat kan onze voorouders op de prairie wel eens goed van pas gekomen zijn, zo redeneert Lupyan. Als ze een naam hadden voor de leeuw en de olifant die ze soms tegenkwamen, leerden ze misschien net wat sneller dat het gevaarlijke dieren zijn. Het hielp ze misschien ook om beter te onthouden welke bessen eetbaar zijn en welke niet. De mensachtigen mét taal hadden daarmee dus een evolutionair voordeel boven mensachtigen zonder taal en dat zou verklaren waarom taal een blijvertje werd.

Het is niet voor het eerst dat onderzoekers op dit soort merkwaardige effecten stuiten. Al in de jaren negentig kwam aan het licht dat mensen met verschillende talen anders naar voorwerpen kijken. Als ze voorwerpen moeten groeperen, leggen Japanners dingen van hetzelfde materiaal bij elkaar – een houten piramide bij een blok hout – terwijl Engelsen voorwerpen van dezelfde vorm bij elkaar leggen – de houten piramide bij een plastic piramide.

Ook dat komt door een cruciaal taalverschil tussen het Japans en het Engels, volgens de onderzoekers. Het Engels dwingt sprekers constant de beslissing te maken of iets een voorwerp is of een stof, omdat in het Engels voorwerpen telbaar zijn en stoffen niet. Eén piramide of drie boeken zijn prima, maar één hout of drie papier kun je niet zeggen. Daar moet je eerst iets voorwerpachtigs van maken: één stuk hout, drie vellen papier. Stoffen moeten dus eerst een vorm krijgen om ze te kunnen tellen en de redenatie is vervolgens dat Engelstaligen iets wat een specifieke vorm heeft, zoals de houten piramide, altijd interpreteren als iets telbaars en dus als een voorwerp. Daarom vinden ze dat de piramides bij elkaar horen, want het stuk hout dat er ook bij ligt is vormeloos en van een hele andere orde.

De linguïst Vivian Cook van de universiteit van Newcastle upon Tyne met collega’s uit Engeland en Japan besloot toen te gaan kijken hoe dat zit bij Japanners die meer dan drie jaar in Engeland wonen. Voilà, ze gaan groeperen op vorm in plaats van op materiaal en voegen zich dus meer naar de manier van kijken in de Engelse taal (International Journal of Bilingualism, juni 2006). Het verschil tussen telbare en niet-telbare zelfstandige naamwoorden is opeens belangrijk geworden, terwijl het in het Japans helemaal niet bestaat.

Daardoor lijkt het onvermijdelijk dat wat we spreken écht beïnvloedt wat we zien. ‘We richten onze aandacht op die facetten van de realiteit die in de taal belangrijk zijn,’ aldus Athanasopoulos. Omdat er een woord voor is of omdat ze in de grammatica terugkomen. Handig, want je kunt onmogelijk alle details van wat je ziet in je opnemen. Taal is een soort filter, een zonnebril die de wereld kleurt. En een tweede taal is dan een zonnebril met een net andere tint. Die verandert je blik op de wereld en dus ook een beetje wie je bent.

‘We hebben nog veel meer bewijs nodig om een solide theorie op te bouwen, maar ik ken geen onderzoek dat het idee dat een tweede taal je psyche kan veranderen omver werpt’, zegt Athanasopoulos. ‘Dat betekent overigens niet dat je bang moet zijn om een heel ander persoon te worden als je een nieuwe taal leert. De veranderingen zijn subtiel en grotendeels onbewust.’ Het zou interessant zijn om Maais een paar jaar naar de Lage Landen te halen, haar te overstelpen met Nederlands en vervolgens in de auto te zetten met de TomTom aan: ‘Bij de volgende rotonde links.’ Gaat ze dan naar links, of naar het westen?

Sneeuw, sneeuw, sneeuw
Als er één verhaal vaak ter sprake komt als het gaat over de invloed van taal op het denken, is het wel dat van de Inuit (de eskimo’s) met hun vele woorden voor sneeuw. Aan het begin van de 20e eeuw beweerde antropoloog Franz Boas dat de Inuit vier verschillende woorden voor sneeuw hebben, omdat sneeuw in de wereld van de Inuit zo belangrijk en veel voorkomend is. De taalkundige Benjamin Lee Whorf maakte daar voor het gemak zeven sneeuwwoorden van – in latere hervertellingen werden het er steeds meer. Whorf gebruikte het voorbeeld om zijn theorie te staven dat taal van grote invloed is op hoe we de wereld zien en erover denken. Maar bij nadere inspectie bleek dat Inuit helemaal niet zoveel meer woorden voor, of eigenlijk óver sneeuw hebben dan Engelstaligen. Het betekende exit Sapir en Whorf, en hun theorie over taal en denken.