Waar moet dat werkwoord nou?

In Ad Valvas, 11 juni 2009.

Josje Verhagen onderzocht hoe Turken en Marokkanen Nederlands leren. “Sommigen blijven altijd ‘Ik de afwas doen’ zeggen.”

Vraag iemand om zijn Turkse buurman na te praten en je krijgt steevast zinsconstructies te horen als ‘Ik niet Nederlands praten’ of ‘Hij altijd brood eten’. Iedereen die een tweede taal leert, maakt in het begin zulke niet-finiete zinnen, waarin het werkwoord onvervoegd aan het einde van de zin staat. Pas na een tijdje gaan mensen persoonsvormen maken, die bovendien op de goede plek – na het onderwerp – in de zin terechtkomen. Die overgang – van niet-finiete naar finiete zinnen – onderzocht de taalwetenschapper Josje Verhagen in haar promotieonderzoek bij laagopgeleide, volwassen Turkse en Marokkaanse leerders van het Nederlands.

Uit het onderzoek van Verhagen kwamen interessante verschillen tussen de beide bevolkingsgroepen naar voren. Zo signaleerde zij een duidelijk verschil in snelheid waarmee de beide groepen tweedetaalleerders overgingen naar het stadium van vervoegen. “Turken blijven nog ‘Ik de afwas doen’ zeggen, terwijl Marokkanen eerder op ‘Ik doe de afwas’ overgaan”, geeft Verhagen als voorbeeld. Volgens de promovenda zijn de verschillen terug te voeren op de moedertaal. In het Turks staat het werkwoord altijd aan het einde, in het Marokkaans Arabisch middenin of aan het begin van de zin. Verhagen: “Het werkwoord geeft de actie aan. Waarschijnlijk zijn Turken meer gefocust op het einde van de zin, omdat ze daar die belangrijke informatie verwachten. Als de rest van de zin aan hun aandacht ontglipt, missen ze het werkwoord dat in het Nederlands al direct na het onderwerp komt. Marokkanen zijn wel vanaf het begin van de zin alert.”

Charlie Chaplin

Naast verschillen vond Verhagen ook overeenkomsten in de taalverwerving. Zo bleek dat Marokkanen, ondanks hun voorsprong, veel dezelfde moeilijkheden ondervonden als de Turken. “Sommige laagopgeleide Turkse en Marokkaanse tweedetaalleerders blijven het moeilijk vinden om de persoonsvorm op de goede plek in de zin te zetten”, onderstreept Verhagen. “Ik wilde erachter komen of ze al grammaticale kennis van finiete zinnen hadden voordat ze Nederlands gingen spreken.” Zo’n honderdvijftig Turken en Marokkanen die op het ROC Nederlands leerden, waren bereid mee te doen aan haar experimenten. Verhagen liet ze Charlie Chaplin-filmpjes navertellen, verhalen verzinnen bij tekeningen en zinnen imiteren. ‘De burgemeester praat niet over het probleem’ bleken veel proefpersonen te herhalen als ‘De burgemeester niet praten over het probleem’. “Dat deden ze rustig bij alle 24 zinnen met een vergelijkbare constructie”, vertelt Verhagen. “In de veronderstelling dat ze het goed hadden. Dan vroegen ze ook: ‘Goed?’ en ik zei dan met een stalen gezicht: ‘Ja, heel goed’.” Zo ontdekte Verhagen dat het voor tweedetaalleerders niet vanzelfsprekend is om een zin die je hoort, foutloos te herhalen. Om dat te kunnen, moet kennelijk eerst een bepaald taalleerstadium zijn bereikt.

Een ander experiment dat ze uitvoerde, toonde dat ook aan. De proefpersonen kregen twee zinnen te horen en moesten beoordelen of die hetzelfde waren door zo snel mogelijk op een knopje te drukken. Het idee achter die taak is dat je twee identieke zinnen eerder herkent wanneer ze overeenkomen met het taalsysteem van je moedertaal dan met een ander taalsysteem. Voor Nederlanders is twee keer ‘Jan en Piet lopen niet op het strand’ makkelijker als identiek te beoordelen dan twee keer ‘Jan en Piet niet lopen op het strand’. Uit het experiment bleek dat de proefpersonen die het werkwoord (nog) niet vervoegden, zinnen van het laatste type makkelijker als identiek beoordeelden. Dus hun taalsysteem had het leerstadium waarin vervoegd wordt, (nog) niet bereikt.

Hoop

Leren laagopgeleide Turken en Marokkanen uiteindelijk wel goed Nederlands? Volgens Verhagen is er hoop. “De helft van de mensen die ik getest heb, is heel duidelijk het finiete stadium binnengegaan. Ik heb ontdekt dat het verwerven van hulpwerkwoorden daarbij een belangrijke stap is. Leerders die bijvoorbeeld het hulpwerkwoord ‘hebben’ gebruikten, gingen sneller persoonsvormen maken en die ook op de goede plek in de zin zetten.”

Daar stuitte de promovenda weer op een verschil tussen Marokkanen en Turken. Marokkanen gebruikten duidelijk meer hulpwerkwoorden dan Turken. Daardoor gingen ze eerder persoonsvormen maken en die op de goede plek zetten. Voor Turken betekende het gebruik van hulpwerkwoorden ook een belangrijke stap vooruit, maar het duurde wel langer voor ze gingen vervoegen en tot de juiste zinsvolgorde kwamen.

Voor Verhagen is het duidelijk dat hulpwerkwoorden een belangrijke rol spelen in het leerproces van een vreemde taal. “Ik heb niet gekeken naar het onderwijs, maar ik denk dat het moment waarop je hulpwerkwoorden aanbiedt heel belangrijk is. Als je iemand met een al redelijk grote woordenschat hulpwerkwoorden leert, versnel je waarschijnlijk de overgang van het niet-finiete naar het finiete stadium.”

Josje Verhagen promoveerde op dinsdag 9 juni.