Zingend inburgeren

Mensen onthouden woorden makkelijker als ze die melodieus krijgen aangeboden, tonen experimenten met studenten aan. Maar het idee dat we allemaal zingend een nieuwe taal moeten leren, wordt door wetenschappers nog zeer voorzichtig benaderd. Mensen uit de praktijk, zoals docenten Nederlands als tweede taal, zijn een stuk positiever.

Stel je voor: je vlucht uit Ethiopië en komt na veel omzwervingen in Nederland terecht. Om daar te mogen blijven, moet je onder andere een inburgeringscursus doen. Bij de toets krijg je vragen over Duits bloed, een of andere Koning van Hispanje en Graaf Adolf, die ‘is gebleven in Friesland in den slag’. Dan vraag je je toch wel af waar je bent beland.

De bovenstaande fragmenten uit het Wilhelmus staan straks misschien inderdaad in de inburgeringstoets. In december bleek namelijk dat een meerderheid van de Tweede Kamer wil dat ons volkslied wordt opgenomen in de eindtermen van het inburgeringsexamen. Niet dat de inburgeraars het helemaal uit het hoofd moeten leren, maar het is volgens de overheid belangrijk dat ze er ‘iets’ van weten. Maar wat leer je van het Wilhelmus?

Monotoon

Het Wilhelmus zingen zou best eens kunnen helpen bij het leren van het Nederlands. In februari 2008 publiceerde een groep Frans-Belgische wetenschappers een onderzoek in het tijdschrift Cognition naar het effect van melodie op het leren van een vreemde taal. Franse studenten moesten onbekende woorden leren die of monotoon, of met een melodie werden uitgesproken. Ze bleken de melodische woorden veel beter te kunnen onthouden, wat voor de onderzoekers reden was om aan te nemen dat de koppeling aan muziek kan helpen om een nieuwe taal te leren.

Henkjan Honing, hoofd van de onderzoeksgroep naar muziekcognitie aan de Universiteit van Amsterdam, beaamt dat het een mogelijke conclusie is, maar hij is nog voorzichtig. “Het lijkt erop dat muziek en taal deels dezelfde neurale gebieden gebruiken en deels aparte. Sommige onderzoekers denken daarom dat het zingen van liedjes helpt bij de taalverwerving, maar er is nog veel debat over. Wat wel vaststaat is dat de muzikale aspecten van taal al heel vroeg een belangrijke rol spelen in het leven van de mens. Al drie maanden voor de geboorte kunnen baby’s de toonhoogte, melodie en het ritme van hun moedertaal onderscheiden van andere talen. Ze blijken het als ze huilen zelfs te imiteren: Franse baby’s huilen omhoog, Duitse baby’s huilen omlaag.”

Haagse Nieuwe

In Den Haag zijn ze meer overtuigd van het nut van zingen bij de taalverwerving. Vijf jaar geleden is daar het inburgeringskoor Haagse Nieuwe opgericht waarmee nieuwe Hagenaars uit alle windstreken de bühne opgaan om vol overtuiging Nederlandse smartlappen te zingen. “Het zingen helpt de inburgeraars hun woordenschat uit te breiden en vloeiender te spreken”, vertelt Monique Groenewegen, een van de oprichters van het koor, aan de telefoon. Het koor zingt bijvoorbeeld Tulpen uit Amsterdam van de Havenzangers, Opzij, opzij, opzij van Herman van Veen en Heb je even voor mij van Frans Bauer. “Bij elk nieuw lied dat we inbrengen, geven we een uitgebreide uitleg van de tekst, omdat de zangers het lied goed moeten begrijpen om de emotie over te kunnen brengen. We besteden ook veel aandacht aan de uitspraak. Een koorlid zei eens tegen me: ‘Sinds ik op het koor zit, voel ik de klank van de taal.’ Dat is toch mooi!”

Toen ze nog voor de klas stond, deed Monique Groenewegen ook veel met muziek en zingen om Nederlands te leren aan inburgeraars. Ze ontdekte dat mensen het leuk vinden om aan de hand van Nederlandstalige liedjes de taal te leren en bovendien is het een goede manier om abstracte woorden en aanduidingen voor emoties aan te leren.

Maar niet alle liedjes zijn even geschikt om te ondersteunen bij het leren van een taal. Janjaap de Vries, voormalig docent Nederlands als tweede taal, schreef zelf liedjes om Nederlands te onderwijzen aan buitenlanders. “In het bestaande populaire Nederliedrepertoire van bands als Bløf, Acda en De Munnik en Marco Borsato is weinig geschikt lesmateriaal te vinden”, zegt hij in het voorwoord van zijn boek Anders nog iets?. “De liedjes sluiten niet aan bij de lesthema’s en het taalniveau van de leerlingen en gebruiken te veel beeldspraak. Kinderliedjes zijn qua niveau beter, maar vaak weer te kinderachtig.” Zijn eigen liedjes in Anders nog iets? bestaan uit de typische dialogen waar iedereen mee begint als hij een nieuwe taal leert: je voorstellen, gesprekjes in de supermarkt, de dagen van de week.

Gêne

Aan de telefoon vertelt hij dat de meest simpele liedjes het leukst zijn. “Het voorstelliedje kan iedereen meteen meezingen, omdat het refrein vier keer langskomt. Dat is een groot succes, want daardoor blijft de tekst goed hangen. Zingen helpt echt enorm bij de taalverwerving. Mensen kunnen de woorden van een nieuwe taal veel makkelijker onthouden, omdat ze herhaald worden en vanwege de melodie en de rijm. En het helpt ook om over de gêne heen te komen, want als je nog amper een woord in een nieuwe taal kunt spreken is het best moeilijk om meteen met dialogen te beginnen in de klas.”

Op dit moment zijn er een paar methodes die met muziek Nederlands leren aan buitenlanders, waaronder Anders nog iets?, maar ze worden niet heel breed ingezet. Folkert Kuiken, hoogleraar Nederlands als tweede taal aan de Universiteit van Amsterdam, vertelt dat er ook nog niet veel onderzoek is gedaan naar de werking van de muziekmethodes. “Ik denk dat het succes kan hebben om dezelfde reden als dat rijmpjes en versjes bij kinderen een succes zijn. Door zinnen met simpele structuren een ritme en duidelijke intonatie mee te geven, blijven ze langer hangen in je hoofd. Af en toe kun je de zinnen misschien zelfs gebruiken in een gewone gesprekssituatie. Maar of dat ook gebeurt en wat voor effect het heeft op de algehele taalbeheersing van mensen die Nederlands leren, is niet bekend.”

Het Wilhelmus zal inburgeraars hoe dan ook niet veel bruikbaar Nederlands leren, want er is niemand die spreekt zoals er in het volkslied gezongen wordt. Maar een Ethiopisch accent zou er wel wat welkome sjeu aan kunnen geven.

 

Dit artikel verscheen in het faculteitsblad Essay, mei 2010.